5 keer zin en onzin over waarom Akzo en Unilever ineens aantrekkelijke prooien zijn

5 keer zin en onzin over waarom Akzo en Unilever ineens aantrekkelijke prooien zijn

Door Joost Ramaer

Het zijn household names, Unilever en AkzoNobel. Nederlands van oorsprong, maar met activiteiten over de hele wereld. Wereldleiders in hun markten, met een lange historie – Unilever gaat terug tot 1872, AkzoNobel zelfs tot 1792.

Ze behoren ook tot de pioniers in de professionalisering van het management, die in de 20ste eeuw zijn beslag kreeg. Strategische planning, financieel beheer, de ontwikkeling van je personeel, de aansturing van een wereldwijd netwerk van dochterbedrijven: Unilever en AkzoNobel hebben generaties van managers opgeleid die overal aan de slag kunnen.

En toch vallen deze bastions ineens, kort na elkaar, ten prooi aan opdringerige overnemers. Bij AkzoNobel klopte de Amerikaanse rivaal PPG op de deur met een bod van 21 miljard euro. Unilever kreeg een ongewenst aanzoek van Kraft Heinz ter waarde van 143 miljard dollar.

Beide concerns hebben de aanval resoluut afgeslagen. Maar de ervaring leert dat het respijt slechts tijdelijk van aard kan zijn. Is dat erg of juist goed? Hier volgen vijf vragen, overdenkingen en onwaarheden van voor- en tegenstanders.

1. Vijandige overnames houden managers scherp

Deze theorie impliceert dat de aanvaller altijd gelijk heeft: hij krijgt zijn kans alleen als het management van de prooi de werkelijke waarde van het bedrijf onvoldoende weet te realiseren, waardoor de beurswaarde daaronder zakt en de aandelen te goedkoop worden om te laten liggen.

Maar vergelijk aanvaller PPG eens met zijn prooi. De Amerikanen wonnen de laatste vijf jaar 130 procent aan beurswaarde, tegen “slechts” 55,5 procent voor AkzoNobel. De laatste drie jaar, de laatste twaalf maanden en de laatste drie maanden zijn de rollen echter vrijwel omgekeerd:

PPG: respectievelijk plus 6,7, plus 5,2 en plus 7,5 procent.
AkzoNobel: respectievelijk plus 14,5, plus 16,2 en plus 7,3 procent.

Met andere woorden: het lijkt erop dat AkzoNobel de laatste tijd harder verbetert dan PPG. De Amerikanen kunnen leren van de Nederlanders, niet andersom.

2. De goedkope euro maakt Nederlandse beursfondsen tot prooien

Veel beursgenoteerde ondernemingen hebben na de kredietcrisis jarenlang cash gehamsterd. Vooral Amerikaanse multinationals bulken van het geld. Dat brandt hen in de zakken, zeker nu de dollar zoveel aan waarde heeft gewonnen ten opzichte van de euro en het Britse pond.

Dat lijkt zo klaar als een klontje. Maar het hangt er maar vanaf of de goedkope euro ook de in euro luidende aandelen goedkoper maakt. Unilever en AkzoNobel zijn multinationals, zij verdienen geld in alle grote valuta’s.

Per saldo hebben zij meer voor- dan nadeel van de lage euro, zoals FT’s Alphaville-rubriek onlangs aantoonde met Unilever als voorbeeld.

De meeste van Unilevers bezittingen bevinden zich buiten de “werkgebieden” van pond en euro. De waarde van die assets in ponden en euro’s gaat omhoog wanneer die munten in waarde dalen. Daarom ging de beurskoers van Unilever juist door het dak toen de pondkoers post-Brexit kelderde (zie grafiek).

3. Nederlandse bedrijven moeten beter beschermd worden

AkzoNobel is “geworteld in de Nederlandse samenleving en cultuur”, riep PvdA-Kamerlid Henk Nijboer meteen na het PPG-bod. “De PvdA is bezorgd omdat onze bedrijven in de uitverkoop lijken te staan.” CDA-Kamerlid Pieter Omtzigt en zelfs minister Dijsselbloem vielen hem bij.

“Nederland moet zijn strategische economische belangen beschermen”, vindt de minister van Financiën. Maar wie vindt dat nou niet? De echte vraag is natuurlijk hoe Nederland dat het beste kan doen.

In ieder geval niet door beschermingsconstructies op te tuigen, zoals politici nu weer bepleiten. Nederland kent al sinds jaar en dag drie van zulke constructies:

1. Certificering: de onderneming brengt al zijn stemgerechtigde aandelen onder in een stichting, die in ruil “certificaten van aandelen” uitgeeft. Het stemrecht berust bij de stichtingsbestuurders, die het management van de onderneming meestal gunstig gezind zijn. Een andere optie is dat de bestuurders het stemrecht op certificaten in noodgevallen kunnen opheffen.
2. Gifpil: een andere stichting kan in noodgevallen zogenoemde “beschermingsprefs” uitgeven, speciale aandelen die ervoor zorgen dat een aanvaller nooit de meerderheid van de stemmen kan krijgen.
3. De Antilliaanse beschermingswal: het grofste geschut uit het beschermingsarsenaal, waarmee weer een ander type stichting, gevestigd op Curaçao, de volledige zeggenschap kan verwerven over essentiële dochterbedrijven.

Vroeger had iedere zichzelf respecterende hoeksteen van de BV Nederland één of meer beschermingsconstructies. Tegenwoordig zijn ze minder in zwang. Ze drukken namelijk de beurswaarde, omdat ze beleggers aanzienlijk beperken in hun rechten. Daardoor kan de onderneming minder gemakkelijk geld ophalen op de kapitaalmarkt.

Dat nadeel drukt continu, terwijl de bescherming slechts af en toe nodig is. Fugro is het meest flagrante voorbeeld van de, letterlijk, hoge prijs van bescherming. Fugro heeft als enige Nederlandse beursfonds alledrie de beschermingswallen opgetrokken. Sinds november 2012 verloor het bedrijf 69 procent van zijn beurswaarde.

Unilever is nauwelijks beschermd: het heeft alleen gecertificeerde aandelen. Toch is het aandeel de laatste tien jaar anderhalf keer over de kop gegaan. Een FT-opinieschrijver merkte onlangs op dat Unilever zijn Britse aandeelhouders in die periode een rendement heeft gebracht van gemiddeld 13 procent per jaar, tegen 5 procent voor de FTSE 100.

De beste bescherming is zelf zo goed mogelijk presteren. Dat maakt je, letterlijk, onbetaalbaar.

4. Aandeelhouderswaarde draait niet langer om puur financiële ratio’s

Kraft Heinz is een multinational met een fameus meedogenloze managementcultuur. De Brazilianen en Amerikanen die er de dienst uitmaken, wurmen zich ergens binnen met een glimlach … om vervolgens keihard in te grijpen.

Als Kraft Heinz een bedrijf overneemt, introduceert het daar zero-budgeting: de managers van de veroverde prooi zien hun begroting teruggeschroefd naar nul. Voor iedere cent die zij nodig denken te hebben, moeten zij vervolgens met de hoed in de hand naar hun nieuwe bazen.

Zulke krachtpatserij kan nog altijd op vele dwepers rekenen. Maar hun aantal neemt wel snel af. Steeds meer dringt het besef door dat er meer onder de zon is dan cashflow en ebitda. Bedrijven moeten goede burgers zijn, die niet alleen zorgen voor hun klanten, maar ook voor hun personeel en voor Moeder Aarde.

Het is in dit verband geen toeval dat Paul Polman, de CEO van Unilever, al sinds zijn aantreden in 2009 een ware kruistocht voert, zoals blijkt uit dit profiel in de Financial Times. Niet om het kapitalisme een beetje op te poetsen, maar “om het kapitalisme fundamenteel te veranderen”, zoals de auteur van het FT-profiel in elders in zijn krant betoogde.

Kennelijk is Polman al een aardig eind gekomen. Want het o zo zelfverzekerde Kraft Heinz ging verbluffend snel op zijn gezicht met zijn ongewenste megabod. Kraft Heinz begrijpt niet alleen de tijdgeest niet. Het begrijpt evenmin dat met die tijdgeest ook meer geld te verdienen valt.

5. Aandeelhouderswaarde draait om ethisch en duurzaam handelen

Toen Polman en de zijnen het ongewenste bod van Kraft Heinz eens goed bestudeerden, zo blijkt uit deze reconstructie in de Financial Times, kwamen zij er al snel achter wat de Brazilianen werkelijk van plan waren.

Kraft Heinz zei bereid te zijn een vette premie op de beurskoers van Unilever te willen betalen. Maar alleen al de samenvoeging van de divisies verpakt voedsel van beide concerns zou zoveel geld besparen, dat de Brazilianen de rest van Unilever in feite tegen kostprijs zouden krijgen.

Met andere woorden: het bod was niet genereus, maar krenterig. Kraft Heinz creëert geen meerwaarde, zoals het claimt. Het gaat er met de kas vandoor. Dat is precies de houding die het soort steenrijke, cocky individuen dat Kraft Heinz leidt, wereldwijd diep gehaat heeft gemaakt.

Polman probeert al negen jaar lang te bewijzen dat het ook anders kan, dat managers en de multinationals die zij leiden juist kunnen bijdragen aan de samenleving in plaats van alleen maar te nemen, nemen, nemen. Eenvoudig is dat niet.

In mei vorig jaar moest Unilever zijn belangrijkste duurzame doelstelling bijstellen. De halvering van het negatieve effect op het klimaat van alle activiteiten zal het concern niet in 2020, maar pas in 2030 bereiken.

Door daar open en eerlijk over te blijven, houdt Polman al zijn stakeholders aan boord. Vóór zijn komst zat 60 procent van de aandeelhouders minstens vijf jaar in Unilever. Inmiddels zit 70 procent al minstens zeven jaar op hun stukken.

Maar misschien wel het ultieme bewijs dat Polman op de goede weg is, zeker tegenover de nog altijd talrijke dwepers met het puur financieel gestuurde armpje drukken van zo’n Kraft Heinz, is dat onder zijn bewind de aandeelhouderswaarde is gestegen, en niet zo’n beetje ook: met 203 procent. Meer dan bij de rivalen Nestlé en Procter & Gamble.

Link naar Will Hutton over Unilever in FT:

https://www.ft.com/content/885ff224-fe60-11e6-96f8-3700c5664d30

Link naar “waarom klein en onafhankelijk ook goed is voor de belegger” in FT:

https://www.ft.com/content/9921d9b6-fce8-11e6-8d8e-a5e3738f9ae4

Link naar Michael Skapinker over “Kraft Heinz’s lack of political savvy” op FT:

https://www.ft.com/content/8590cc0e-fce8-11e6-96f8-3700c5664d30

Link naar “The 143 billion dollar flop” in FT:

https://www.ft.com/content/d846766e-f81b-11e6-bd4e-68d53499ed71

Akzo daalt na tegenvallende cijfers:

https://www.ft.com/content/ae8bd5b6-0cfa-3d08-89c7-7bed2491b45d

Bron: Finanzen

Nog geen lid? Klik hier om lid te worden.